1. Boekoriëntatie.
|
2. Verhaalbegrip.
|
|
|
3. Functies van geschreven taal.
|
|
|
4.
Relatie tussen gesproken
|
5.
Taalbewustzijn,
|
|
5.
Taalbewustzijn,
|
6. |
1. Boekoriëntatie.
Bovenop het kastje, op een boekenplank, staat centraal het boek als uitgangspunt. Een boek kun je lezen en platen vertellen een verhaal.
2. Verhaalbegrip.
Wat gebeurt er en hoe loopt het af? Speel een verhaal en vertel het op je eigen manier. In het laatje vind je alle spullen die je nodig hebt.
3. Functies van geschreven taal.
Geschreven taal is
communicatie. Je hebt een instrument om je gedachten vast houden. Met letters als je ze al beheerst, maar ook met
symbolen
zoals pictogrammen. Het verschil tussen lezen en schrijven wordt duidelijk.
4. Relatie tussen gesproken en geschreven taal.
Gesproken woorden zijn vastgelegd op papier. Die kun je dus
steeds weer opnieuw lezen, uitspreken en horen.
5. Taalbewustzijn / fonologisch bewustzijn en fonetisch bewustzijn.
Dit is zo belangrijk, dat het niet in één laatje onder te brengen is.
Fonologisch bewustzijn, bewustzijn van klanken in een taal. Het kunnen spelen met afzonderlijke klankonderdelen.
Fonemisch bewustzijn, een gesproken woord bestaat uit
letters, fonemen. De gevorderde fase van fonologisch bewustzijn.
6. Alfabetisch principe.
Woorden zijn opgebouwd uit klanken die weer corresponderen met letters. Leerlingen ontdekken de foneem/grafeem koppeling.